Reïncarnatietherapie voor stemmenhoorders

 

Reïncarnatietherapie voor stemmenhoorders:

effect- en procesonderzoek

In de jaren 1996 t/m 1999 is door Drs. R.van der Maesen (psycholoog) onder begeleiding van de Universiteit van Amsterdam in een promotie­on­derzoek het effect van reïncarnatietherapie onderzocht bij een groep mensen die hinder hebben van stemmen zonder aanwijsbare bron. Onder hen was een aantal ambulante psychiatrische patiënten; anderen hadden geen psychiatrische stoornis. In onderstaande samenvatting worden opzet, verloop en resultaten van het onderzoek weergegeven. Daaraan toegevoegd is een conclusie uit de recensie op het onderzoeksverslag, gepubliceerd in Klank­spiegel, een uitgave van de Stichting Weerklank, de belangenvereniging van stemmen­hoorders. Voor een evaluatieonderzoek naar het effect en het proces van reïncarnatietherapie bij mensen die gehinderd worden door stemmen uit niet waarneembare bron (auditieve hallucinaties) werden via advertenties en een patiëntenbelangenvereniging stemmenhoor­ders opgeroepen. Voor dit onderzoek, een promotieonderzoek begeleid door de Vakgroep Klinische Psychologie van de Universiteit van Amsterdam, meldden zich 57 stemmenhoorders. Van hen voldeden 54 aan de insluitingcriteria, die geënt waren op auditieve hallucina­ties in schizofrenie volgens de Diagnostic and Statistical Manual, de DSM-IV. Deze criteria zijn gekozen om mensen aan te trekken die al geruime tijd gehinderd werden door stemmen en daarvan verlost wilden wor­den. De aanmelding voor dit onderzoek is bovendien een indica­tie dat zij onvoldoende baat hebben bij bestaande behandel­methoden. Van de 57 respondenten meldden 38 een lopende behandeling bij een psychiater of psychiatrische kliniek en 8 bij de RIAGG. In 32 gevallen was er sprake van een medica­menteuze behandeling, voornamelijk met antipsy­chotica. Naast vragenlijsten voor het verzamelen van demografi­sche gegevens en gegevens over de mate van ernst van de problema­tiek van het horen van stemmen, vulden de responden­ten de algemene klachten­lijst SCL-90 in en ondertekenden zij een akkoordverkla­ring (infor­med consent) met de inhoud van het onderzoeksprotocol. Voor de behandeling van de stemmenhoorders hadden zich 60 leden van de Neder­landse Vereniging van Reïncarnatietherapeu­ten (NVRT), de sponsor van dit onderzoek, beschik­baar gesteld. Zij waren bereid een gratis intake-interview af te nemen en maximaal 12 sessies van 2 tot 2½ uur te doen tegen een sterk gereduceerd honorarium. De 54 stemmenhoorders die voor therapie in aanmerking kwamen werden gerandomi­seerd toegewezen aan een van de twee condities in het onderzoek. Een groep, de experi­mentele groep, kreeg therapie aangeboden in de periode september 1996 tot januari 1997. De andere groep, de controlegroep, kwam op een wachtlijst, met een toezegging van therapie in de periode februari 1997 tot juli 1997. Van de 27 cliënten in de experimentele groep hebben drie cliënten zich niet voor therapie gemeld wegens een heropname in een psychiatrisch kliniek en konden twee cliënten naar het oordeel van de therapeut zonder psychiatrisch vangnet niet in behande­ling worden genomen. Een andere cliënt trok zich terug wegens gebrek aan vertrouwen in psychotherapie. Van de 21 resterende cliënten in de experimentele groep hebben 7 cliënten de therapie na een of enkele sessies afgebroken, in 2 gevallen op initiatief van de behandelaar. De overige 14 cliënten hebben de therapie overeenkomstig het protocol afge­rond. Vijf van hen hebben twee tot acht vervolgsessies gedaan. In de wachtlijstperiode werd ook de controlegroep uitge­dund. Een cliënt overleed na een heropname in een psychiatri­sche kliniek. Zes anderen trokken zich terug om diverse rede­nen, onder andere financiële redenen. Het effect van reïncarnatietherapie is onderzocht in een uitkomstonderzoek. In dit onderzoek is gekeken naar de statis­tische en naar de klinische significantie van de resulta­ten. De statistische significantie werd onderzocht met behulp van de algemene klachten­lijst SCL-90, die door alle respondenten in de voormeting was ingevuld en voor de tweede maal aan zowel de behandelde cliënten in de experimentele groep als aan de cliënten in de controlegroep werd voorgelegd. Met behulp van een variatieanalyse werd een statistisch significant ver­schil (p =.005) en dus een verbetering in algemene klachten ten gunste van de experimentele groep vastgesteld. Na deze meting hebben 20 cliënten uit de controlegroep zich gemeld voor therapie. Twee van hen konden niet in behan­deling worden genomen zonder een psychiatrisch vangnet; een derde cliënt trok zich terug. Vier cliënten hebben de therapie voortijdig beëindigd en dertien hebben de therapie afgerond. Drie cliënten uit de controlegroep hebben 2 tot 5 vervolgses­sies gedaan. Voor de bepaling van de klinische betekenis (significantie) van de therapie voor 27 cliënten uit de beide groepen die de therapie hebben afgerond werd, naast de klachtenlijst SCL-90, gebruik gemaakt van andere, voor dit onderzoek ontwikkelde vragenlijsten. Een van deze vragenlijsten had betrekking op cliënts oordeel over de therapie en de eventuele wijziging van het probleem stemmenho­ren. Een andere vragenlijst ging over de mate van satis­factie van de cliënt over de behandeling en het therapieresultaat. Aan een externe beoordelaar, een psychia­ter verbonden aan de RIAGG, was gevraagd zich een oordeel te vormen over het thera­pieresultaat door het afnemen van posttherapeutische inter­views. De SCL-90 is zes maanden na de afronding van de behande­ling aan alle cliënten voorgelegd: 14 van de 27 behandelde stemmenhoorders scoorden een significante verbete­ring. Er was sprake van 'significant' als de individuele scores in voor- en nameting een positief verschil vertoonden van één standaardde­viatie van de gehele groep. Uitgaande van de normscores voor psychiatrische patiënten en voor 'normalen' op de SCL-90 zijn elf cliënten in hun klachtenscores 'verschoven' uit de range van psychiatri­sche patiënten in de range van normalen. Op de vragenlijst 'Oordeel van cliënt over het therapieresultaat, zes maanden na therapiebeëindiging', gaf 52% aan baat gehad te hebben bij de therapie ter zake van de hinder van de stemmen. Vier van hen waren sinds de therapie geheel stem­menvrij. Voor 78% had de therapie nog een andere, positieve betekenis. Het gemiddelde waarderingscijfer voor de kwaliteit van reïncarnatietherapie kwam uit op 7,8. Van de 21 cliënten die op de desbe­treffende vraag een antwoord gaven, konden 20 de therapie aanbevelen voor stemmenhoor­ders. In 25 posttherapeutische interviews die door de externe beoordelaar zes maanden na therapiebeëindiging zijn afgeno­men, heeft deze zich een oordeel kunnen vormen over de diagnoses en over het therapieresultaat. Als 'geschatte' diagnose meldde de externe beoordelaar bij 10 cliënten schizofrenie en bij nog eens 10 een andere psychiatrische stoornis. Als thera­pieresultaat werd gemeld: bij 6 deelne­mers stemmen verdwenen of sterk gereduceerd in aantal, 8 deelnemers gaan er beter mee om en 11 deelnemers hebben ter zake van stemmenhoren geen verbetering. In telefonische interviews met 25 cliënten door dezelfde beoordelaar, één tot anderhalf jaar na het eerste interview, bleken de stemmen bij een stemmenvrije cliënt weer teruggekomen, na een afwezigheid van zes maanden. Bij de overige cliënten hebben zich ter zake van de stemmen geen bijzondere wijzigingen voorge­daan. In het procesonderzoek is een poging gedaan om inzicht te krijgen in de factoren die het resultaat hebben beïnvloed of bewerkstelligd. Een bijdrage daartoe is geleverd door de behandelende therapeuten en door vier externe beoordelaars, twee psychiaters en twee psychologen. Door hen is geopperd dat de meerwaarde van reïncarnatietherapie ten opzichte van be­staande, reguliere vormen van psychotherapie, moet worden gezocht in de overeenkomsten in opvatting over metafysische verschijnselen bij een deel van de stemmenhoorders, met die van reïncarnatietherapeuten, die werken aan de hand van op die opvatting afgestemde modellen. Ook de behandeling van en omgang met zogenoemde vorige-levensherinneringen, voor zover afkomstig van cliënten en door hen gepresenteerd als reële ervaringen, lijkt een specifieke factor in reïncarnatietherapie. Omdat vorige-levensherinneringen in hetgeen bekend is over het menselijk geheugen een niet-erkend fenomeen is, wordt aanbevolen het nog onontgonnen gebied van de 'impliciete herinnerin­gen' en het 'impliciete geheugen' diepgaand te onderzoeken. Een eerste stap daartoe zou zijn het verleggen van het onderzoeksterrein naar een vroeg stadium van de zwan­gerschap om meer inzicht te krijgen in de veronderstelde onverbreekbare relatie tussen geheugen en hersenen. Tenslotte wordt ook aan de sessieduur, 2 tot 2½ uur per sessie, klinische relevan­tie toegedicht. Het derde deel van het onderzoek betrof een fenomenologi­sche studie van het verschijnsel stemmen. Er is geen twijfel over de ernst van de problematiek van het horen van stemmen, die bedreigend, angstaanjagend en beschuldigend zijn, vaak opdrachten geven en soms aanzetten tot automutilatief (zelfbeschadiging) en suïcidaal gedrag. Er blijkt ook bij een deel van de stemmenhoorders een gehechtheid aan de stemmen te ontstaan, leidend tot een groeiende afhankelijkheid. Naast de waarde van het aanleren van coping-strategieën zou therapie zich kunnen richten op existentiële aspecten van de stemmen, zoals de vraag waarom en onder welke omstandigheden de verbinding met de stemmen is aangegaan en wat ertoe bijdraagt dat deze ver­binding in stand blijft en zo moeilijk te verbreken is. Conclusie uit de recensie van Henny Dekker in Klankspiegel d.d.1/3/2000: Als ik het boekje (onderzoeksverslag) lees krijg ik de indruk dat vrijwel niemand schade heeft ondervonden aan de therapie en dat de cliënten veel baat hebben gehad bij de persoonsgerichte aanpak. De enige kritiek die ik zou kunnen geven is dat de therapeuten naar keuze ofwel reïncarnatietherapie, ofwel regressietherapie of gewoon gesprekken hebben gevoerd met de cliënten. Het aantal sessies in dit onderzoek (volgens het protocol: maximaal 12) was ook iets te gering om veel resultaten op de lange termijn te boeken. Dat neemt niet weg dat het baanbrekend is om een dergelijke therapie toe te passen op mensen met een problematiek die zo ernstig is als bij deze cliënten die uitgekozen zijn voor dit onderzoek. Het onderzoeksverslag is verkrijgbaar door te bestellen bij het verzendbureau, e.droog@utwente.nl. U krijgt daar eerst meer informatie over kosten en wijze van betalen. copyright 2006 NVRT Terug naar de hoofdindex  Terug naar de index onderzoek